Ik prop. Als ik vouw dan glijdt zo het ene velletje na het andere velletje op de grond. Wat er over blijft is mijn eigen hand en je weet wat daarvan komt. Dus ik prop. Proppers blijken gevoelsmensen te zijn en vouwers denkers. Dat lijkt me nogal logisch. Tijdens het proppen hoef je niet na te denken en bij het vouwen wel. Proppers zijn het type als je moet dan moet je. Waar vouwers alleen ‘thuis’ kunnen, hurken de proppers nog ouderwets langs de A50 zonder over onze schoenen te piesen, gaan wij gewoon wel naar de wc in de trein en doen we niet moeilijk in een Dixi waarin je de drol van je voorganger nog voorbij ziet komen. Proppers moeten ook altijd. Vooral net als je tijdens het verstoppertje op de meest geniale verstop plek zit. Wat vouwes wel doen. Doen proppers niet. Proppers leggen niet de hele pot vol toiletpapier. Dat doen vouwers.

 

Die willen voor geen goud op de pot zitten. Dus wat doen ze: ze gaan er boven hangen. Wij proppers denken dan: die bril zit er niet voor niets op. Dat is dat we niet morsen. En wat doen als die brilhangers: morsen. En dat vinden wij proppers dan wel weer vies. Eén zo’n lullig druppeltje op de bril of erger één schaamhaar. In onze wagen ben ik er voor de proppers. Het zijn er 4 miljoen. Met al mijn ervaring loods ik je zo naar de snelste toilet, krijg je van mij de snelste plaskaart en het beste papier om ongestoord te kunnen proppen. Maar een propper is niets voor niets een gevoelsmens. Ik zal als echte propper de vouwer ook hoffelijk onthalen en vooruit je mag gerust een kwartier zitten. Hangen is echter verboden.